Egbert Johannes 'Eppe' Peusken

De stille kracht tussen fabriek en vakbond

Een man die het vertrouwen won van directie én werknemers

Egbert Johannes Peusken werd op 7 december 1884 geboren in Deventer. Hij was de oudste zoon van Gerrit Wessel Peusken en Martha Schoone.

Zijn vader werkte als tapijtwever, maar moest dat beroep vanwege zijn gezondheid opgeven. Hij begon een sigarenwinkeltje en speelde daarnaast een belangrijke rol binnen de Deventer arbeidersbeweging. Als voorzitter van de werkliedenvereniging Help U Zelven probeerde hij de positie van arbeiders te verbeteren. Vanwege zijn vooruitstrevende denkbeelden stond hij in Deventer bekend als ‘rooie Peusken’.

Egbert was zestien toen zijn vader op 10 juli 1901 overleed. Martha bleef achter met vijf kinderen, van wie Egbert de oudste was. Het gezin werd het eerste gezin dat gedurende langere tijd ondersteuning ontving van De Weezenkas.

De Weezenkas was ontstaan vanuit de vrijdenkersbeweging. Veel hulp aan wezen en halfwezen was in die tijd verbonden aan kerkelijke organisaties. Voor kinderen uit niet-kerkelijke gezinnen bestond nauwelijks een alternatief. De Weezenkas probeerde in die leemte te voorzien en wilde de kinderen bovendien zonder geloofsdogma laten opgroeien.

Voor Egbert betekende de dood van zijn vader vooral dat hij al jong verantwoordelijkheid moest dragen. Toen de steun aan zijn moeder tijdens een conflict over het godsdienstonderwijs van de kinderen werd verlaagd, schreef hij zelf naar het bestuur van De Weezenkas. Hij vond het onrechtvaardig dat zijn moeder werd gekort vanwege een beslissing waarbij hij als oudste zoon betrokken was geweest.

Hij was toen nog maar achttien. Toch liet hij zich al horen wanneer hij vond dat iets niet klopte.

Op 14 maart 1902 was Egbert in dienst getreden bij de firma A.J. Holtkamp. Hij begon er als jongste kantoorbediende en bracht een deel van zijn loon mee naar huis. Het was het begin van een dienstverband dat meer dan een halve eeuw zou duren.

Egbert en Martina op hun trouwdag

Martina en hun gezin

Op 1 juni 1910 trouwde Egbert met Martina Lammerdina de Witte. Samen kregen zij drie kinderen: Gerrit Wessel in 1911, Johannes Martinus in 1914 en Martha in 1924.

Het gezin woonde eerst aan de Oosterstraat en later aan de G. Sylvanusstraat en de Bagijnenstraat. In de familie werd Egbert Eppe genoemd. Op foto’s zie je Egbert als gezinsman, op het strand, fietstocht met zijn oudste zoon, slapend op de bank, familiebijeenkomsten maar ook in functie, strak in het pak met hoed op. De aantekeningen uit zijn laatste levensdagen laten later zien dat hij een vader met een droog gevoel voor humor was.

Zijn gezin was belangrijk voor hem. Dat blijkt misschien nog het duidelijkst uit de manier waarop hij aan het einde van zijn leven over Martina en zijn kinderen sprak. Ook toen hij zelf ernstig ziek was, probeerde hij vooral hen gerust te stellen.

Herinnering aan opa Eppe van kleinzoon Henk

Mijn opa, Egbert Johannes Peusken, was een heel bijzondere man. Het was als kind heel leuk om bij mijn opa en oma op bezoek te gaan in de Sylvanusstraat in Deventer.
Soms gingen opa en ik wandelen in de stad, maar hij kon haast geen stap verzetten zonder iemand tegen te komen die hem iets moest vragen of zeggen. Ik vond dat als kind prachtig. Ook gingen we wel zwemmen, dat deed hij overigens het hele jaar, in het Rielerbad in Deventer, hij kleedde zich altijd om in de jongenskeet, ik schaamde mij daar wel een beetje voor…
Later toen ze op St. Jurriën woonden, fietste ik na judo altijd bij hen langs, ik kreeg dan aan het zijraam dropjes, wybertjes, dat vond hij prachtig, want dan leek altijd alsof je meer kreeg, eens een boekhouder altijd een boekhouder, dat waren zijn woorden.
In de jaren nadat oma was overleden was hij vaak bij ons thuis in Gorssel, dat was altijd heel gezellig, mijn vader dreef vaak de spot met hem over zijn eetmanieren, hij at nogal luid.
Als kind wist ik natuurlijk niet wat voor rol hij sociaal maatschappelijk gespeeld heeft, dat is best iets om trots op te zijn.

Een leven lang bij Holtkamp

Egbert bleef zijn hele werkzame leven verbonden aan Holtkamp. De firma groeide uit tot de N.V. Deventer Matrassen- en Ledikantenfabriek v/h A.J. Holtkamp en Egbert groeide met het bedrijf mee.

Van jongste kantoorbediende werkte hij zich op tot bureauchef en uiteindelijk tot procuratiehouder. In die functie mocht hij namens de onderneming handelen en kreeg hij een grote verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken.

Dat vertrouwen werd tijdens de mobilisatie van 1939 op de proef gesteld. Directeur J.H. Holtkamp moest in militaire dienst en Egbert kreeg de leiding over het bedrijf. Hij moest de fabriek draaiende houden in een periode waarin niemand wist wat de toekomst zou brengen.

Bij zijn veertigjarig dienstjubileum in 1942 werd gememoreerd hoe hij het bedrijf door die moeilijke tijd had geleid. Tijdens de huldiging werd hij omschreven als iemand die:

‘niet alleen een groote stuwkracht is, doch tevens een humaan mensch.’

Dat is een treffende typering. Egbert kon leidinggeven en beslissingen nemen, maar bleef oog houden voor de mensen die in het bedrijf werkten.

De bond van Peusken

Naast zijn werk bij Holtkamp zette Egbert zich in voor de Nederlandse Bond van Handels- en Kantoorbedienden Mercurius. Zijn eerste bekende activiteit voor de bond dateert uit 1905, toen hij als twintigjarige plaatsnam in een commissie.

Vier jaar later werd hij gekozen in het bestuur van de afdeling Deventer. Hij werd secretaris en in november 1916 voorzitter. Onder zijn leiding groeide de afdeling uit tot een actieve en zichtbare vereniging.

Egbert vertegenwoordigde Deventer ook buiten de stad. Vanaf 1919 trad hij namens Overijssel toe tot het landelijke Bondsbestuur. Na een reorganisatie in 1925 kreeg hij zitting in de Bondsraad. Daar bleef hij deel van uitmaken tot Mercurius in 1940 opging in een grotere vakorganisatie (uiteindelijk het huidige FNV).

Hij hield zich bezig met de belangen van handels- en kantoorbedienden, maar ook met hun ontwikkeling. Mercurius organiseerde cursussen en vakonderwijs waarmee jonge kantoorbedienden hun positie konden verbeteren. Egbert wist uit eigen ervaring wat het betekende om onderaan te beginnen en door leren en werken verder te komen.

In 1934 was hij vijfentwintig jaar bestuurslid van de Deventer afdeling. Daarvoor ontving hij het gouden Bondsinsigne, een onderscheiding die volgens het jubileumverslag nog niet eerder was uitgereikt.

Toen de afdeling in 1937 haar veertigjarig bestaan vierde, werd zij in de krant ‘de bond van Peusken’ genoemd. Zijn naam was inmiddels zo met Mercurius verbonden dat de twee bijna niet meer los van elkaar werden gezien.

Mercurius-schunnigheden

Dat het er binnen de vakbeweging niet altijd even vreedzaam aan toeging, ondervond Egbert in 1927 aan den lijve. De bond Mercurius en de concurrerende Algemeene Bond streden fel om de gunst van de handels- en kantoorbedienden. Eerdere pogingen om tot één gezamenlijke organisatie te komen waren mislukt, en de verhoudingen tussen beide kampen waren dan ook ronduit gespannen.

Op 23 april sprak Egbert tijdens een propaganda- en feestavond van Mercurius in Nijmegen. De plaatselijke afdeling van de Algemeene riep haar leden op om vooral te komen kijken en kondigde aan dat bondsbestuurder Brouwer met hem in debat zou gaan. Toen Brouwer echter vernam dat er naast de redevoeringen ook muziek en dans op het programma stonden, besloot hij weg te blijven. Hij wilde zich niet in een sfeer van feestelijkheid en jolijt mengen.

Egbert deed daarop in het bondsblad Mercurius verslag van de avond, in een toon die duidelijk meer spot dan ernst bevatte. De bijeenkomst was gehouden in café De Bonte Os. Buiten, zo schreef hij, had hij wel een enkele ‘os’ gezien, maar van iets dat werkelijk ‘bont’ mocht heten was binnen weinig te merken geweest.

De tegenpartij kon met die luchtige toon allerminst lachen. Onder de kop ‘Mercurius-schunnigheden’ werd Egbert uitgemaakt voor lafaard, en er werd zelfs smalend gesuggereerd dat hij uit angst “in zijn culotte” zou zijn geraakt—met andere woorden: dat hij zich uit vrees had bevuild. Mercurius liet dat niet onbeantwoord en kwam met een minstens zo venijnig en spottend wederwoord onder de titel ‘La culotte de Peusken’.

Egbert keerde later nog eenmaal op de kwestie terug. Hij gaf toe dat zijn eerste verslag niet bepaald “van cachet” was geweest. Voor één keer, zo schreef hij, had hij zich laten verleiden tot de stijl van Onze Strijd, die bekendstond om zijn scherpe en bijtende toon.

Daarna nam hij weer de rol van bestuurder op zich. In plaats van elkaar voortdurend leden afhandig te maken en elkaar in de bondsbladen te beschimpen, konden beide organisaties hun krachten volgens hem beter richten op het winnen van ongeorganiseerde kantoorbedienden voor de vakbeweging.

Zelfs wanneer Egbert fel werd aangevallen, eindigde hij dus met een oproep om de rijen te sluiten.

Tussen directie en werknemers

Egbert bevond zich in een bijzondere positie. Bij Holtkamp maakte hij als procuratiehouder deel uit van de bedrijfsleiding. Bij Mercurius kwam hij op voor de belangen van werknemers.

Dat had gemakkelijk tot botsingen kunnen leiden. Toch blijkt uit de bronnen dat hij juist aan beide kanten vertrouwen genoot. De directie durfde het bedrijf aan hem toe te vertrouwen en binnen Mercurius werd hij jarenlang als bestuurder gekozen.

Waarschijnlijk lag zijn kracht niet in grote woorden of harde confrontaties. Na zijn overlijden werd hij herinnerd als een rustige en evenwichtige man. Hij had duidelijke overtuigingen en zocht vooral naar wat mensen met elkaar verbond.

Daarin verschilde hij misschien van zijn vader. Gerrit Wessel was de uitgesproken arbeidersvoorman die in Deventer ‘rooie Peusken’ werd genoemd. Egbert koos een minder opvallende weg. Hij werkte vanuit het overleg, maar verloor daarbij zijn gevoel voor rechtvaardigheid niet.

Egbert Johannes pasfotoAfscheid van een werkzaam leven

In 1953 was Egbert meer dan vijftig jaar aan Holtkamp verbonden. Op 27 februari van dat jaar ontving hij de Eremedaille in Goud, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding was een erkenning voor zijn jarenlange werk en zijn betekenis voor het Deventer bedrijfsleven.

Daarnaast kreeg hij een gouden medaille met draaginsigne van de Maatschappij voor Nijverheid en Handel.

Kort daarna nam hij afscheid van het bedrijf waar hij in 1902 als jongste kantoorbediende was begonnen. Ruim een halve eeuw lang had Holtkamp deel uitgemaakt van zijn dagelijks leven.

Egbert kon nu meer tijd thuis doorbrengen met Martina. Lang hebben zij daar niet samen van kunnen genieten. In 1957 overleed zij, na een huwelijk van bijna zevenenveertig jaar.

‘Maakt nog grapjes’

Twee jaar na Martina’s overlijden werd Egbert ernstig ziek. In maart 1959 kreeg hij geelzucht en probeerden de artsen te achterhalen wat er met zijn lever en galwegen aan de hand was.

Zijn oudste zoon Gerrit Wessel hield in die weken korte aantekeningen bij. Hij schreef op wat de artsen vertelden, wie er op bezoek kwam en hoe het met zijn vader ging. Tussen de medische berichten en bezoekjes door noteerde hij steeds opnieuw dat zijn vader grapjes bleef maken:

‘Vader wil al maar liggen. Maakt nog grapjes.’

Zelfs toen Egbert snel achteruitging, verloor hij zijn humor niet. Op een dag liet hij een scheet en keek naar buiten naar een mevrouw op straat.

Egbert wist inmiddels dat hij niet meer beter zou worden. Toch was hij minder met zijn eigen lot bezig dan met het verdriet van zijn kinderen.

‘Om mij hoef je niet te treuren. Moeder heeft geleden. Ik niet.’

Martina was ook in deze laatste dagen nog dicht bij hem. Hij vond dat zij meer had geleden dan hij en gebruikte haar lijdensweg om zijn kinderen gerust te stellen.

Op Goede Vrijdag zei hij:

‘Denk maar zo goed over oe vadertje als ge kunt.’

En tegen Gerrit en diens vrouw Gerritdina:

‘Ik wens oe ’t allerbeste.’

Het waren geen plechtige afscheidswoorden. Ze pasten bij de manier waarop Gerrit zijn vader beschreef: eenvoudig, rechtstreeks en zonder veel vertoon.

In de vroege ochtend van 29 maart 1959, Eerste Paasdag, overleed Egbert Johannes Peusken. Gerrit noteerde:

‘’s Morgens 2.10 u. vader overleden. Met Ger en Bert aanwezig.’

Ger was Gerrits vrouw, Gerritdina Alberta Peusken-van Aefst, en Bert was Lambertus Stephanus van der Kloor, de echtgenoot van Egberts dochter Martha – binnen de familie bekend als tante Max en oom Bert.

Op 2 april werd Egbert onder grote belangstelling in Dieren gecremeerd.

Eppe

Na zijn overlijden verscheen in het bondsblad van Mercurius een In Memoriam. Daarin werd Egbert niet alleen herdacht als oud-bestuurder, maar vooral als een vriend. Men herinnerde zich zijn rustige optreden, zijn gevoel voor rechtvaardigheid en zijn vermogen om mensen bij elkaar te brengen.

Zijn leven kende geen grote omwentelingen. Hij woonde en werkte in Deventer, bleef meer dan vijftig jaar bij hetzelfde bedrijf en zette zich tientallen jaren in voor dezelfde vakbond. Juist daarin lag zijn kracht.

Als zestienjarige verloor hij zijn vader en kreeg hij al vroeg verantwoordelijkheid. Als werknemer werkte hij zich op van jongste kantoorbediende tot procuratiehouder. Als bestuurder won hij het vertrouwen van zijn medeleden en als vader probeerde hij tot het laatst zijn kinderen gerust te stellen.

En zelfs toen er weinig meer te lachen viel, maakte Eppe nog een grapje.

Historische betekenis

Het levensverhaal van Egbert is niet alleen van betekenis voor de familie Peusken. Zijn jeugd raakt aan de vroege geschiedenis van De Weezenkas en de ontwikkeling van niet-kerkelijke sociale zorg. Zijn lange loopbaan bij Holtkamp vertelt iets over de groei van Deventer als industriestad. Tegelijkertijd laat zijn werk voor Mercurius zien hoe kantoorbedienden zich organiseerden en door scholing en samenwerking hun positie probeerden te verbeteren.

Bijzonder is vooral dat Egbert zich tussen twee werelden bewoog. Hij maakte deel uit van de bedrijfsleiding, maar zette zich ook tientallen jaren in voor de belangen van werknemers. De bewaard gebleven foto’s, documenten en aantekeningen van zijn zoon maken van die grotere geschiedenis bovendien een persoonlijk verhaal.

Bronnen

Achter elke naam schuilt een verhaal

Voor dit verhaal zijn officiële documenten gecombineerd met krantenartikelen, vakbondspublicaties, familiefoto’s en persoonlijke aantekeningen.

Officiële documenten

  • Geboorteakte van Egbert Johannes Peusken, Deventer, 7 december 1884.

  • Huwelijksakte van Egbert Johannes Peusken en Martina Lammerdina de Witte, Deventer, 1 juni 1910.

  • Overlijdensakte van Egbert Johannes Peusken, Deventer, 29 maart 1959.

  • Adresgegevens en bevolkingsregistraties van het gezin Peusken.

  • Stukken uit het Nationaal Archief over de toekenning van de Eremedaille in Goud, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau, in 1953.

  • De bijbehorende oorkonden en onderscheidingen uit het familiearchief.

Familiearchief Peusken

  • Foto’s van Egbert, Martina en hun kinderen, zowel thuis en tijdens uitstapjes als bij officiële gelegenheden.

  • Documenten en herinneringen over Egberts loopbaan bij A.J. Holtkamp.

  • Aantekeningen van Gerrit Wessel Peusken uit maart 1959 over de ziekte en de laatste levensdagen van zijn vader.

  • Overige familiegegevens en mondeling overgeleverde herinneringen.

Kranten en vakbondspublicaties

Voor Egberts werk bij Holtkamp en zijn activiteiten voor Mercurius zijn berichten en verslagen geraadpleegd uit onder meer:

  • Deventer Dagblad.

  • De Koerier.

  • Het bondsblad Mercurius.

  • Jubileumverslagen van de afdeling Deventer van de Nederlandse Bond van Handels- en Kantoorbedienden Mercurius.

  • Het na zijn overlijden verschenen In Memoriam.

De geraadpleegde artikelen dateren uit de periode 1905–1959 en zijn grotendeels afkomstig uit de digitale krantencollectie van Delpher en de Collectie Overijssel.

De Weezenkas

Voor de ondersteuning van het gezin Peusken na het overlijden van Gerrit Wessel is gebruikgemaakt van:

Piet Hoekman en Jannes Houkes, De Weezenkas. Vereniging op de grondslag van het beginsel ‘Opvoeding zonder geloofsdogma’, 1896–1996, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam, 1996.

In dit boek wordt het gezin Peusken beschreven als het eerste gezin waarvoor De Weezenkas gedurende langere tijd verantwoordelijkheid droeg.

Tenzij anders vermeld zijn de afgebeelde foto’s en documenten afkomstig uit het familiearchief Peusken.