Gerrit Wessel 'Opa' Peusken

Een leven lang aandacht voor mensen.
Onderwijzer, vriend en familieman met oprechte belangstelling voor de ander.

 

Een leven in het onderwijs

Gerrit Wessel Peusken werd op 22 oktober 1911 geboren in Deventer als zoon van Egbert Johannes Peusken en Martina Lammerdina de Witte. Hij groeide op in een gezin waarin maatschappelijke betrokkenheid, ontwikkeling en onderwijs belangrijk waren. Op vijftienjarige leeftijd behaalde hij zijn MULO-diploma B. Daarna ging hij naar de Rijkskweekschool in Deventer om onderwijzer te worden.

In juni 1930 slaagde Gerrit voor zijn onderwijzersexamen. Tegelijk behaalde hij de aantekening handenarbeid. Hij was achttien jaar en kon vrijwel direct aan het werk. In oktober van dat jaar begon hij als tijdelijk onderwijzer in Twello. Een vaste baan was in de crisisjaren niet vanzelfsprekend. Zoals hij later zelf schreef, nam je een onbezoldigde betrekking met beide handen aan. Pas vanaf 1 januari 1931 ontstond recht op een betaalde leerkracht.

Kort daarna solliciteerde Gerrit naar een betrekking in de gemeente Gorssel. Meester Koerselman, hoofd van de school in Harfsen, zag iets in de jonge onderwijzer en plaatste hem als eerste op de voordracht. Op de avond waarop de gemeenteraad over de benoeming besliste, wachtte Gerrit bij het gemeentehuis om de raadsleden persoonlijk te ontmoeten. Hij werd benoemd. Daarmee begon, in zijn eigen woorden, zijn loopbaan aan de Harfsense school, die bijna twaalf jaar zou duren.

Gerrit bleef zich naast zijn werk ontwikkelen. In 1933 behaalde hij de hoofdakte, in 1935 de akte Wiskunde L.O. en in 1938 de akte Hoogduitse taal L.O. Later, in 1947, volgde ook de akte Engels L.O. De verschillende bevoegdheden laten zien hoe breed zijn belangstelling was. Onderwijs werd niet alleen zijn beroep. Kennis verwerven en doorgeven bleef zijn hele leven bij hem horen.

Op 28 maart 1939 trouwde Gerrit met Gerritdina Alberta van Aefst, die Gerda werd genoemd. De huwelijksinzegening vond plaats in de Grote of Lebuinuskerk in Deventer. Het eerste jaar van hun huwelijk woonden zij in Deventer. Op 28 maart 1940 verhuisden zij naar Gorssel.

Op de dag van de verhuizing werd hun naamplaatje op de deur geschroefd. Achter het plaatje zat een briefje met de datum 28 maart 1940. Zowel het naamplaatje als het briefje zijn binnen de familie bewaard gebleven.

Tijdens de bezetting bleef Gerrit voor de klas staan. In 1943, midden in de oorlog, verliet hij de school in Harfsen en ging hij werken aan de ULO in Deventer. Daarmee maakte hij de overstap van het lager naar het uitgebreid lager onderwijs. Uiteindelijk gaf hij jarenlang les aan de ULO aan de Ceintuurbaan, later de MAVO. Veel oud-leerlingen zullen hem vooral als leraar Duits hebben gekend, hoewel zijn onderwijsbevoegdheden breder waren. Hij bleef aan de school verbonden tot zijn pensionering, volgens de familie omstreeks 1975.

In 1948 kwam Hendrik Wessel, Henk, in het gezin van Gerrit en Gerda. Zij waren vanaf het begin open over zijn adoptie. Henk kan zich niet herinneren dat hij ooit niet heeft geweten dat hij geadopteerd was. De definitieve adoptie werd in 1965 juridisch vastgelegd. Voor Gerrit en Gerda was hij toen al zeventien jaar hun zoon.

Naast zijn gezin en werk nam vriendschap een belangrijke plaats in Gerrits leven in. Hij had een groot sociaal netwerk en hield sommige vrienden tientallen jaren. Met Jan van den Berg, die hij al van jongs af aan kende, ontstond tijdens hun eerste jaren als onderwijzer een hechte vriendschap die tot Gerrits dood bleef bestaan. Ze fietsten, reisden en trokken samen op. Later bezochten ook hun gezinnen elkaar. Voor Gerrits zoon en kleinkinderen werd professor Van den Berg eenvoudig Oom Jan.

Schaken was een andere constante in zijn leven. Al in de jaren dertig speelde Gerrit wedstrijden voor het Deventer Schaakgenootschap Pallas. Ook buiten de vereniging schaakte hij. Met Piet van der Waal speelde hij jarenlang thuis, bijna iedere week. Later leerde hij zijn kleindochter Marijke het spel. Schaken paste bij zijn geduld, zijn concentratie en zijn plezier in nadenken.

Eind 1978 werd Gerrit vanwege ernstige hartproblemen opgenomen in het ziekenhuis in Deventer. Op 16 december ging hij per ambulance naar Leiden. Vier dagen later onderging hij daar een voor die tijd nog bijzondere bypassoperatie. Aanvankelijk was sprake van twee omleidingen; tijdens de operatie werden het er drieënhalf. Gerda hield de ziekenhuisperiode nauwkeurig bij. Op de avond van de operatie noteerde zij om acht uur: “een blik van herkenning”. Op 3 januari 1979, precies zes weken na zijn eerste opname, kwam Gerrit weer thuis.

Zijn pensionering betekende niet dat hij stil ging zitten. Gerrit en Gerda hadden veel vrienden en gingen graag op pad. Hij las boeken en tijdschriften, luisterde naar het nieuws, schaakte en hield zich bezig met zijn moestuin. In huis en tuin was altijd iets te verzorgen of te repareren. Hij bakte brood en koekjes en hield nauwkeurig bij wat hij kocht en hoeveel het kostte. Ook na zijn werkzame leven bleef hij nieuwsgierig en actief.

Die belangstelling richtte zich ook op zijn gezin. Gerrit wilde weten wat zijn zoon, kleinkinderen en later zijn drie achterkleinkinderen bezighield. Hij luisterde, stelde vragen en volgde hun leven met aandacht. In de laatste weken van zijn leven woonde hij in het tuinhuisje bij Henk en zijn vrouw in Wilp. Daar genoot hij ervan zijn achterkleinkinderen door de tuin te zien lopen.

Gerrit overleed op 9 oktober 2000 in Wilp, 88 jaar oud. Zijn leven had bijna zeventig jaar in het teken gestaan van onderwijs: eerst als leerling aan de kweekschool, daarna voor de klas en later als vader en opa die bleef uitleggen, voorlezen en helpen met huiswerk. Eens een onderwijzer, altijd een onderwijzer.

Opa wilde alles weten

Na het overlijden van opa kwam ineens de gedachte: nu weet hij niet meer wat we gaan doen.

Dat klinkt misschien als een klein gemis, maar het zegt precies wie opa voor ons was. Hij wilde altijd weten waar we mee bezig waren, wat we hadden meegemaakt en wat onze plannen waren. Hij luisterde vol aandacht naar onze verhalen en stelde vragen. Niet omdat dat hoorde, maar omdat hij werkelijk geïnteresseerd was. Wat voor ons belangrijk was, wilde hij begrijpen.

Hij kende ons ook afzonderlijk. Hij wist waar onze belangstelling lag en waar niet. Daardoor had ieder van ons een eigen band met hem, zonder dat de een ooit belangrijker werd dan de ander. Opa verdeelde zijn aandacht zorgvuldig. Als de een iets kreeg, kreeg de ander dat ook. Dat was geen afstandelijke eerlijkheid. Het was zijn manier om ervoor te zorgen dat we allebei wisten dat we evenveel bij hem hoorden.

Die aandacht zat vaak in kleine dingen. Later ging Marijke iedere week met hem boodschappen doen. Toen haar zoon klein was en zij het niet breed had, kocht opa luiers voor zijn achterkleinzoon. Hij maakte daar geen groot gebaar van. Hij zag wat nodig was en hielp.

Ook bij opa en oma thuis hoefde genegenheid niet te worden uitgelegd. Het zat in het kapje van het zelfgebakken brood dat voor ons was. In het grootste koekje dat we uit de trommel mochten zoeken, ook wanneer het onderin lag. In het Droste-trommeltje dat meestal toch openging als we ‘Opi’ zeiden, hoewel we niet om drop mochten vragen. Het zat in de knipselboeken die hij voor ieder van ons maakte en in de houten puzzels die hij zelf uit platen van Anton Pieck zaagde.

Later richtte diezelfde aandacht zich op zijn drie achterkleinkinderen. Hij was trots op hen en vond het prachtig wanneer ze bij hem waren. In zijn laatste weken, toen hij in het tuinhuisje bij onze ouders in Wilp woonde, genoot hij ervan hen door de tuin te zien lopen. Alleen al hun aanwezigheid maakte hem blij.

Toch begint de herinnering aan opa niet binnen, maar buiten. Zodra hij hoorde dat we de oprit op kwamen, stond hij op en kwam hij naar ons toe. Daar stond hij dan, oprecht blij dat we er waren, klaar voor zijn dikke natte kus en benieuwd naar alles wat we te vertellen hadden.

Misschien is dat wel het beeld dat het beste bij hem past: opa die naar buiten komt omdat wij eraan komen. Bij hem waren we nooit op bezoek. We kwamen binnen in zijn aandacht, zijn belangstelling en zijn leven. En zolang hij er was, wilde hij weten wat onze volgende stap zou zijn.

Geschreven door Annemieke Peusken en Marijke Peusken, kleindochters van Gerrit in Zutphen op 18 augustus 2026. Samen herinneringen opgehaald.

Gerrit en Jan

Voor de buitenwereld was hij prof. dr. Jan Hendrik van den Berg: psychiater, hoogleraar, schrijver en grondlegger van de metabletica. Voor de familie Peusken was hij Oom Jan. In die naam ligt een vriendschap besloten die een leven lang duurde.

Jan en Gerrit kenden elkaar van jongs af aan. De echte vriendschap begon toen ze beiden onderwijzer waren. Iedere zaterdag fietste Jan naar Harfsen, waar Gerrit voor de klas stond. Hij schoof het laatste kwartier van de les aan, at mee in Gerrits kosthuis en daarna hadden ze de middag voor zichzelf. Ze fietsten door het buitengebied en doken in de zomer in de IJssel. In zijn memoires noemt Jan hem zijn gezworen jeugdvriend en zijn beste vriend.

Samen trokken ze steeds verder van huis. Eerst op de fiets door Duitsland en naar Zwitserland, later op Gerrits motor. Jan zat achterop en zong onder de hakenkruisvlaggen luid de Internationale. Zoals hij zelf schreef: ‘Gerrit smoorde het lied met het lawaai van de knalpot.’ In die ene herinnering zijn ze allebei herkenbaar. Jan daagde uit, Gerrit ging mee en probeerde tegelijk te voorkomen dat het uit de hand liep.

Hun reis door Zuid-Frankrijk en Italië in 1937 begon ieder op zijn eigen manier. Jan vertrok alleen, te voet en met nauwelijks geld. Gerrit kon als onderwijzer niet zo lang weg en zou zich vier weken later bij hem voegen in Marseille. Op het overvolle station klom Jan op een bagagekarretje om boven de menigte uit te komen. Daar zag hij Gerrit verschijnen: bleek en nerveus, met nieuws en een dikke brief van thuis.

Vanaf Marseille reisden ze verder langs de Rivièra. Ze liepen, kregen soms een lift en sliepen buiten of in een schuur. Bij Menton kwamen ze bij toeval terecht bij Han van Meegeren, de schilder die later berucht werd als meestervervalser. Hij ontving hen, nam hen mee naar het casino van Monaco en gaf geld voor de reis naar Lugano. Jan vond dat eigenlijk niets: ze waren tenslotte aan het wandelen. Gerrit had inmiddels flinke blaren en was vooral blij dat ze een deel van de tocht konden overslaan. Daarna staken ze de Alpen over. Voor Gerrit eindigde de reis in Freiburg, waar hij de trein naar huis nam.

Ook tijdens de oorlog bleven hun verschillen zichtbaar. Gerrit moest in opdracht van de Duitsers met zijn leerlingen hout hakken op ’t Amelte. Jan zat in het verzet en haalde daar hout weg voor vrienden die zonder brandstof zaten. Gerrit werd zo bang dat de diefstal ontdekt zou worden, dat hij het hout tijdens spertijd terugbracht. Jan heeft hem daar nog jarenlang mee geplaagd.

Hun vriendschap bleef niet beperkt tot reizen en avonturen. Ze trouwden en kregen kinderen, maar bleven deel uitmaken van elkaars leven. Jan en Louk kwamen met hun kinderen graag naar Gerrit en Gerda in Gorssel. De Peuskens gingen op hun beurt naar Utrecht. De kinderen speelden samen en groeiden op met de vriendschap van hun ouders. Jan sprak graag Deventers met Gerrit. In dat dialect vonden ze moeiteloos de vertrouwdheid van vroeger terug.

Jan werd arts, hoogleraar en schrijver en ontmoette in zijn leven talloze mensen. Gerrit bleef de vriend met wie hij zijn jeugd, reizen en gezinnen deelde. Tot Gerrits dood hielden ze contact. Voor zijn zoon en kleinkinderen bleef Jan daarom niet de professor die boeken schreef, maar Oom Jan. Geen eretitel had hun verbondenheid beter kunnen samenvatten.

 

Belevenissen van oud-leerkracht G.W. Peusken

Uit het boekje ‘100 Jaar Harfsense School’, geschreven door Gerrit in 1983.

Benoeming

In okt. 1930 was ik tijdelijk onderwijzer in Twello. Salaris ontving ik niet, want pas per 1 jan. 1931 had men recht op een nieuwe leerkracht.

Je nam zo’n onbezoldigde baan met beide handen aan, want je kon dan solliciteren en hoofdenbezoek ontvangen. Ik had de 4de klas met 50 leerlingen en de eerste die me bezocht was meester Ras, hoofd van de dorpsschool in Gorssel. Door zijn collega’s in de gemeente werd hij „het Hoofd der Hoofden” genoemd.

De tweede die kwam was meester Koerselman uit Harfsen. Voor Gorssel kwam ik niet in aanmerking, aangezien mijn zangles, waaraan meester Ras veel waarde hechtte, niet 100% was. Bij meester Koerselman viel ik beter in de smaak. Ik kwam no. 1 op de voordracht. Hij gaf mij de goede raad de raadsleden op te zoeken, want indien ik dit verzuimde en no. 3 deed het wel, dan zou die zeker benoemd worden. Omdat de raadsleden in Gorssel ver uiteen woonden, ging ik op de dag van de raadsvergadering naar het gemeentehuis, waar ik de heren bij de ingang opwachtte om kennis met ze te maken. Ik werd benoemd en zo begon mijn loopbaan aan de Harfsenseschool, die bijna 12 jaar zou duren.

Meester Kapelle

Hij was al vanaf 1884 in functie en stond in 1932 nog steeds voor de klas. Hij woonde in Laren en fietste iedere dag heen en weer. De eerste jaren schijnt hij die afstand zelfs dagelijks gelopen te hebben. Om bij regenweer droog over te komen bezat hij een grote cape, die hij zelfs over het stuur sloeg.

Hoofd van een school is hij nooit geworden, want hij was niet in het bezit van de hoofdakte.

Voor een jonge hoofdonderwijzer, zoals meester Koerselman was, geen pretje om mee samen te werken. Maar meester Koerselman had daar iets op gevonden. Iedere morgen – vlak voor negen uur – ging hij naar het lokaal van meester Kapelle, die nooit buiten kwam, en zette z’n horloge gelijk met dat van meester Kapelle. Deze voelde zich dan zeer gestreeld en zo bleef de verstandhouding tussen de oude, nogal eigenwijze meester en z’n piepjonge hoofd steeds uitstekend.

Af en toe kwamen er nieuwe drukken van de leerboeken of werd een andere methode aangeschaft. Daar deed meester Kapelle niet aan mee. De oude boeken waren voor hem de beste en die bleef hij gebruiken. Toen hij eindelijk na bijna 50 jaar aan de Harfsenseschool gewerkt te hebben, afscheid nam, puilde zijn kast uit van de nieuwe ongebruikte boeken.

De stafkaart

In de paasvakantie 1939 heerste er een gespannen toestand. We waren gemobiliseerd. Als burgers merkten we daar nog niet zoveel van. Maar dat zou nog anders worden.

’t Was een prachtige lentedag en we – m’n meisje en ik – besloten op een gehuurd motortje een tochtje te maken door de Achterhoekse dreven. Boterhammen, fototoestel en mijn onafscheidelijke stafkaart gingen mee. De leden van de militaire staf gebruikten allen een stafkaart. Maar iedere burger kon er een, van welke landstreek dan ook, bestellen bij de Topografische Dienst in Den Haag.

Ik had er verscheidene. Ze waren erg precies. Ieder groepje bomen, iedere boerderij stond aangegeven. Verdwalen was er niet bij. Tussen Borculo en de Duitse grens op een mooi plekje picknickten we. Ik bekeek de kaart waar de grens ergens was en maakte een prachtig plaatje van een bloeiende hazelaar. Alles zeer vredig.

Plotseling dook naast ons uit een greppel een hoofd op; er werd een dienstpet opgedrukt en in een mum van tijd stond er een zeer boze officier voor ons. Hoe we ’t in ons hoofd konden halen foto’s te maken van versterkingen bij de Duitse grens? En hoe we in hemelsnaam een stafkaart in ons bezit konden hebben?

Fototoestel en kaart werden ons afgepakt. De officier gelastte ons langzaam naar Borculo te rijden. Hij fietste achter ons aan met getrokken revolver.

We zaten hem behoorlijk te knijpen, vooral mijn meisje achterop met die revolver in haar rug.

In een wachtlokaal in Borculo hielden ze ons enige uren vast, ieder apart. Tot onze grote verrassing werden we na ongeveer 3 uur plotseling vrijgelaten. Mijn fototoestel kreeg ik terug, maar zonder filmpje. De stafkaart echter niet. ’t Was al donker. Blij tuften we terug naar Deventer.

De eerste schooldag na de Paasvakantie liep ik ’s morgens met meester Teerink op ’t schoolplein. Ik had nog geen gelegenheid gehad m’n verhaal te vertellen.

Tot mijn stomme verbazing haalde hij opeens mijn stafkaart uit zijn binnenzak. „De kaart van een spion” zei hij droogweg. Wat was er gebeurd in die 3 uur dat we vastgehouden werden in Borculo? Meester Teerink vertelde me, dat veldwachter Heuvel opgebeld was door de officier. Ze hadden hem uitgehoord over die schoolmeester. Heuvel was naar meester Teerink gerend, totaal overstuur en roepend: „Meester Peusken is een Duitse spion! Ze hebben hem gearresteerd in Borculo en houden hem daar vast!” „Dat bestaat niet, Peusken is beslist geen landverrader,” zei meester Teerink.

Hij sprong direct op zijn motor, richting Borculo om voor ons te getuigen. Zo kwamen we weer vrij, maar ik had wel mijn lesje gehad hoe het toeging aan de grens tijdens de mobilisatie.

Sport

Veel heb ik met de jongens gesport en gevoetbald op het sportveldje in het bos, schuin achter de school. En toen het zwembad in Almen er was, ging ik de hele zomer iedere dag na 3 uur met de kinderen zwemmen.

Daar ik zelf een groot zwemliefhebber was, deed ik braaf mee, stoeide met ze in het water en daagde ze vaak uit tot een watergevecht. Tegen 2 of 3 leerlingen kon ik het nog wel volhouden, maar toen ze op een keer met hun zessen op me afkwamen, dreigde ik het onderspit te delven. Voortdurend werd ik onder water geduwd, ik hapte tenslotte naar adem. Met grote moeite wist ik me tenslotte te ontworstelen en zwom naar de kant. Vanaf dat moment heb ik niet meer met ze gestoeid.

We hebben er wat afgevoetbald op ons sportveldje. En dan onze uitwedstrijden in Gorssel en Epse. Als we dreigden te verliezen, plaatste ik mijn back Herman Huishof naar voren. Hij was altijd wel goed voor enige doelpunten.

De jongens voetbalden vaak met een klomp en een schoen. Maar we hadden er veel lol in, al vlogen de klompen je soms om de oren.

Een goede voetbal was erg duur en van de gemeente kreeg je geen cent. Dan kocht ik er zelf maar een, al viel dat ook buiten mijn begroting. Gevoetbald werd er in dat uurtje tussen de middag.

Vaak speelde ik zelf enthousiast mee en stond dan om 1 u. zo verhit voor de klas, dat ik me met een emmer ijskoud pompwater moest verkoelen.

Onder het voetballen gaf ik de nodige aanwijzingen en bevelen. Ik zal nooit vergeten, hoe de jongens omrolden van het lachen, toen ik riep: „Dekken jongens, je moet elkaar dekken!” Lange tijd heb ik nooit begrepen waarom ze zo’n plezier hadden. Ik was tenslotte geen jongen van het platteland.

Medelijden had ik met die jongen; z’n naam zal ik maar niet noemen, die niets van voetballen kon en toch zo graag wilde. Daarom kocht zijn vader een paar splinternieuwe voetbalschoenen voor hem, denkende dat het dan wel zou lukken. De arme jongen kon er echter nauwelijks op vooruitkomen tot groot plezier van de klomp-schoen voetballers.

Een misverstand

Toen ik pas in Harfsen was vond meester Koerselman het nodig, dat ik de bevolking wat beter leerde kennen. Daarom fietste ik vaak met hem mee, als hij de boer opging. Ik kon het goed met de bevolking vinden, ook al omdat ik het dialect van de streek goed sprak.

Zo kwamen we eens op bezoek bij boer Strookappe, een vriendelijk boertje, in het bezit van een grote schare kinderen. Hij bewoonde een erg klein boerderijtje. Voor de bedstee had hij kippegaas gespijkerd, misschien opdat zijn kinderen er dan niet uit konden kruipen.

Zoals gewoonlijk stelde meester Koerselman me voor met de woorden: „Dit is onze nieuwe meester Peusken.” Beide meesters werden getracteerd op een borrel, waarvoor ik echter bedankte. Ook een kop koffie wilde ik niet vanwege de dikke vellen, die je er altijd op kreeg. Dan maar een glas ranja, wel puur, dus akelig zoet, maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik al tweemaal afgeslagen had. Toen we weggingen bij boer Strookappe, zei hij, al handen schuddend: „Dag meester Poosje”. Prachtig was dat, zo liet hij blijken, dat hij ook nog iets anders kende dan alleen maar dialect.

Zangles

Zingen met m’n 4e en 5e klas kostte me altijd veel inspanning. De liedjes studeerde ik vooraf in met mijn vrouw. Dan lukte het, mits de klas niet vals ging zingen, want dan was ik totaal de kluts kwijt. Daarom zette ik altijd de goede zangers op de eerste rij.

Nooit zal ik Dika Doornink vergeten, die zo’n heldere stem had; zo zuiver zong. Gedurende de twee jaar, dat ze bij mij in de klas zat en we uit „Kun je nog zingen, zing dan mee” zongen, had ik veel steun aan haar.

Als ik vroeg: „Dika, zet je karretje even in” begon ze in vervoering te zingen en sleepte de klas mee, hoewel een aantal jongens maar wat mee bromden.

In 1933 was het 400 jaar geleden, dat Willem van Oranje geboren werd. Dit werd plechtig herdacht en de hele school moest gezamenlijk het Wilhelmus zingen. Meester Teerink vroeg mij om te dirigeren. Dat was vragen om een krachttoer. Maar de kinderen vonden het prachtig om te zingen en misschien heeft geen mens gemerkt dat mij dat heel wat zweetdruppels kostte.

Een schoolreisje

Van de vele schoolreisjes kan ik me niet veel meer herinneren. Nog wel weet ik, dat we in de oorlog, ik geloof in 1942, een reisje maakten met boerenwagens naar de speeltuin De Platvoet. En dan ons schoolreisje naar Urk, enige jaren eerder. Het was de gewoonte, dat ook de ouders mee mochten. Daar werd zoveel gebruik van gemaakt, dat we vaak met meer ouders dan kinderen op reis gingen.

Eerst naar Harderwijk en dan met de boot naar Urk, toen nog een eiland in de Zuiderzee. Het stormde die dag nogal. De Zuiderzee was toen berucht om z’n korte golfslag. Het duurde dan ook niet lang, of vele ouders hingen over de railing. De kinderen bleken minder last te hebben. Het was een grappig gezicht al die zeezieke mensen, vooral als je dacht, dat je daar zelf geen last van had.

Ik maakte me daar nogal vrolijk over, niet bepaald getuigend van veel medegevoel, totdat ik plotseling, terwijl de haven van Urk al in zicht kwam, ook naar de railing moest en naast dikke Smeenk van Eesterhold terecht kwam, gezamenlijk de vissen voerend.

Bekijk het oorspronkelijke document als pdf →

Bronnen

Achter elke naam schuilt een verhaal

Bronnen bij ‘Een leven in het onderwijs’

  • Geboorteakte van Gerrit Wessel Peusken, Burgerlijke Stand Deventer, aktenummer 570, 1911.

  • Krantenberichten over zijn opleiding en onderwijsakten: De Standaard, 05-07-1927; Overijsselsch Dagblad, 18-06-1930; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 20-06-1930; Het Volk, 15-09-1933; De Morgen, 02-12-1935; De Tijd en De Maasbode, 09-08-1938; Zutphensch Dagblad, 01-08-1947. Geraadpleegd via Delpher.

  • Gerrit Wessel Peusken, herinneringen aan zijn jaren als onderwijzer, in 100 jaar Harfsense school, jubileumuitgave ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de school, 1983.

  • Persoonlijk aantekenboekje van Gerrit Wessel Peusken, met eigenhandige notities over zijn huwelijk op 28-03-1939. Familiearchief Peusken.

  • Naamplaatje van Gerrit en Gerda Peusken en het daarachter bewaarde briefje met de datum van hun verhuizing naar Gorssel op 28-03-1940. Familiearchief Peusken.

  • Documenten betreffende de adoptie van Hendrik Wessel Peusken, definitief vastgelegd in 1965. Familiearchief Peusken.

  • Jan Hendrik van den Berg, Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver, Pelckmans/Klement, 2013, in het bijzonder p. 52 en p. 62–66.

  • Krantenberichten over Gerrits schaakactiviteiten bij het Deventer Schaakgenootschap Pallas: Zutphensche Courant, 04-03-1936 en 26-10-1938; Deventer Dagblad, 24-01-1947, 29-09-1947 en 29-12-1948. Geraadpleegd via Delpher.

  • Aantekenboekje van Gerritdina Alberta ‘Gerda’ Peusken-van Aefst, met notities over Gerrits hartoperatie en herstel van 22-11-1978 tot 03-01-1979. Familiearchief Peusken.

  • Persoonlijke herinneringen van Hendrik Wessel Peusken, zoon van Gerrit en Gerda, aangevuld met herinneringen van Marijke Peusken en haar zus Annemieke, opgetekend in augustus 2026.

  • Foto’s, documenten en familiealbums uit het familiearchief Peusken.

Bronnen bij ‘Opa wilde alles weten’

  • Persoonlijke herinneringen van Marijke Peusken en haar zus Annemieke, opgetekend in augustus 2026.

  • Aanvullende familieherinneringen van Hendrik Wessel Peusken, zoon van Gerrit Wessel Peusken.

Bronnen bij ‘Gerrit en Jan’

  • Jan Hendrik van den Berg, Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver, Pelckmans/Klement, 2013, in het bijzonder p. 52 en p. 62–66.

  • Persoonlijke herinneringen van Hendrik Wessel Peusken aan Jan en Gerrit, aangevuld met herinneringen van Marijke Peusken en haar zus Annemieke.

  • Universiteit Utrecht, Catalogus Professorum: prof. dr. J.H. van den Berg, geraadpleegd in augustus 2026.

Bron bij Belevenissen van oud-leerkracht G.W. Peusken

Gerrit Wessel Peusken, ‘Belevenissen van oud-leerkracht G.W. Peusken’, in Spiegelbeeld. Speciale editie ter gelegenheid van 100 jaar onderwijs in Harfsen, vermoedelijk 1983, p. 24–29. Familie-exemplaar met handgeschreven correcties.